Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0399

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757516-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...]Verdachte ontkent de hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Volgens de raadsman is niet uit te sluiten dat iemand anders, nadat verdachte op 3 juli 2005 de woning van het slachtoffer had verlaten, die feiten heeft gepleegd. [....] Gelet op de toestand van het slachtoffer en op de omstandigheden waaronder zij in de woning is aangetroffen, acht de rechtbank het uitgesloten dat een ander dan verdachte in het korte tijdsbestek van maximaal 11 minuten, de woning van [het slachtoffer] heeft betreden, haar aan het onderlichaam zwaar heeft mishandeld, haar heeft gewurgd, haar heeft ontkleed, de snijwonden heeft aangebracht, kleding uit de kast heeft gehaald en brand heeft gesticht. [...] Verdachte heeft zijn vriendin eerst mishandeld en vervolgens op gruwelijke wijze om het leven gebracht. De wurging en het letsel dat hij haar voor en na het intreden van de dood heeft toegebracht, geven aan dat het bij verdachte aan enig respect voor haar heeft ontbroken. De sporen van zijn daden heeft verdachte willen uitwissen door brand te stichten in haar woning. Verdachte stond enkel voor ogen zich aan zijn verantwoordelijkheid voor zijn daden te onttrekken; ook later heeft hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn daden. Op dergelijke feiten past slechts een gevangenisstraf van zeer lange duur.[...] Gevangenisstraf voor de uur van 15 jaren.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT meervoudige kamer (verkort vonnis) parketnummer 09/757516-05 's-Gravenhage, 18 oktober 2006 De rechtbank 's-Gravenhage, recht doende in strafzaken, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres], thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen (Unit 2) te 's-Gravenhage. De terechtzitting. Bij tussenvonnis van 18 juli 2006 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en geschorst, waarna het onderzoek in deze zaak is voortgezet ter terechtzitting van 4 oktober 2006. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Kaarls, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. Twee benadeelde partijen hebben zich in de zaak gevoegd. De officier van justitie, mr. Beliën, heeft gepersisteerd bij zijn ter terechtzitting van 4 juli 2006 geformuleerde eis, inhoudende: - vrijspraak van verdachte ter zake van de hem bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord; - veroordeling van verdachte ter zake van de hem bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht; - verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen kledingstukken, voor zover deze niet aan verdachte toebehoren, en teruggave aan verdachte van de hem toebehorende kledingstukken. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en Staedion heeft de officier van justitie gepersisteerd bij zijn conclusie tot toewijzing van een bedrag van € 494,26 respectievelijk € 2.142,29, zulks met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De tenlastelegging. Aan verdachte is ten laste gelegd -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting-hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord heeft gepleegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht. Bewijsoverwegingen. Verdachte ontkent de hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd. Volgens de raadsman is niet uit te sluiten dat iemand anders, nadat verdachte op 3 juli 2005 de woning van het slachtoffer had verlaten, die feiten heeft gepleegd. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij in het weekeinde van 2 en 3 juli 2005 bij zijn vriendin [slachtoffer] in haar woning aan de [adres] in Den Haag verbleef. Op zondag 3 juli 2005 waren er volgens verdachte niemand anders in de woning dan hij en [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat hij die zondag (onder andere anale) seks met [slachtoffer] heeft gehad. Van verwondingen aan het onderlichaam van het slachtoffer was volgens verdachte op dat moment nog geen sprake. Voorts heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem op een gegeven moment heeft gevraagd om de woning te verlaten en dat zij vervolgens naar de slaapkamer is gegaan. Verdachte zou volgens zijn aanvankelijke verklaring de woning van [slachtoffer] daarna omstreeks 16:15 uur hebben verlaten waarbij hij de deur achter zich in het slot zou hebben getrokken. Totdat hij wegging, zijn er volgens verdachte geen andere personen in de woning van [slachtoffer] geweest. Ook toen verdachte vertrok heeft hij niet gezien dat er iemand aankwam. Uit technisch onderzoek is gebleken dat er met de vaste telefoon van [slachtoffer] om 17:28 uur nog met de vader van verdachte is gebeld en om 17:30 uur met getuige [getuige]. Verdachte heeft - geconfronteerd met deze onderzoeksresultaten en met de verklaring van diens vader dat hij door verdachte was gebeld - ter terechtzitting erkend dat hij die telefoongesprekken heeft gevoerd en dat hij dus omstreeks dat tijdstip nog wel in de woning van [slachtoffer] aanwezig was. Op diezelfde zondag op 3 juli 2005 ontving de brandweer om 17:41 uur een melding van een brand in een woning aan de [adres]. Dit bleek een brand in de woning van [slachtoffer] te zijn. In die woning werd [slachtoffer] in haar slaapkamer dood op bed aangetroffen. Haar voeten en handen waren door de brand deels verkoold en haar lichaam was bedekt onder beddengoed, kleding en papier. De kledingkast was leeggehaald. Behalve op het bed lag de kleding over de vloer en onder het bed verspreid. In de slaapkamer werden twee brandhaarden aangetroffen. Een derde brandhaard werd aangetroffen in de keuken alwaar smeulende kleding op een gloeiende elektrische kookplaat werd aangetroffen. Voorts bleek uit sectie op het lichaam van [slachtoffer] dat zij door verwurging om het leven is gekomen. Daarnaast had zij perforerend letsel in het rectum, de vagina en weke delen in het kleine bekken; letsel dat volgens de deskundigen tijdens haar leven was toegebracht. Ook werd geconstateerd dat de keel van [slachtoffer] was doorgesneden en dat er steek- en snijletsels aan haar buik en borst waren; letsels die volgens de deskundigen hoogstwaarschijnlijk niet bij haar leven zijn toegebracht. Gelet op de toestand van het slachtoffer en op de omstandigheden waaronder zij in de woning is aangetroffen, acht de rechtbank het uitgesloten dat een ander dan verdachte in het korte tijdsbestek van maximaal 11 minuten, de woning van [slachtoffer] heeft betreden, haar aan het onderlichaam zwaar heeft mishandeld, haar heeft gewurgd, haar heeft ontkleed, de snijwonden heeft aangebracht, kleding uit de kast heeft gehaald en brand heeft gesticht. Ook overigens zijn noch uit het technisch onderzoek, noch uit verklaringen van de verdachte of getuigen concrete aanwijzingen van betrokkenheid van een derde gebleken. Voorts wijst de omstandigheid dat de ringen van verdachte nog in de woning van [slachtoffer] waren achtergebleven, zonder dat verdachte daaromtrent een geloofwaardige verklaring heeft afgelegd, op een overhaaste vlucht. Het kan derhalve niet anders dan dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft mishandeld, haar van het leven heeft beroofd en vervolgens brand heeft gesticht. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van verschrijvingen in de tenlastelegging, zoals weergegeven in de bewezen- verklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de tenlastelegging, zoals vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte. Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert. Verdachte is strafbaar; ten aanzien van hem zijn geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk geworden. Strafmotivering. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft zijn vriendin eerst mishandeld en vervolgens op gruwelijke wijze om het leven gebracht. De wurging en het letsel dat hij haar voor en na het intreden van de dood heeft toegebracht, geven aan dat het bij verdachte aan enig respect voor haar heeft ontbroken. De sporen van zijn daden heeft verdachte willen uitwissen door brand te stichten in haar woning. Verdachte stond enkel voor ogen zich aan zijn verantwoordelijkheid voor zijn daden te onttrekken; ook later heeft hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn daden. Op dergelijke feiten past slechts een gevangenisstraf van zeer lange duur. De in beslag genomen voorwerpen. Blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst (C) zijn onder verdachte kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank zal ten aanzien van deze kledingstukken de teruggave aan verdachte gelasten. De vorderingen van de benadeelde partijen. [Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in deze zaak gevoegd ter zake van een vordering ter vergoeding van materiële schade. Ter terechtzitting van 4 juli 2006 heeft de benadeelde partij de vordering gesteld op een bedrag van € 494,26. De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat [benadeelde partij 1] als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit de aan de vordering ten grondslag gelegde schade heeft geleden, terwijl verdachte de vordering niet heeft betwist. Staedion heeft zich als benadeelde partij in deze zaak gevoegd ter zake van een vordering van € 2.142,29 ter vergoeding van materiële schade. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat Staedion als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit de aan de vordering ten grondslag gelegde schade heeft geleden. Verdachte heeft deze vordering niet betwist. De vordering is derhalve toewijsbaar. De rechtbank ziet aanleiding voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De in beslag genomen voorwerpen. Onder verdachte zijn kledingstukken van hem in beslag genomen, zoals vermeld op de aan dit vonnis gehechte -en als C gemerkte- beslaglijst. Ten aanzien van deze kledingstukken zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten. De toepasselijke wetsartikelen. De artikelen 36f, 57, 157, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1, impliciet primair, ten laste gelegde moord heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de hem bij -gewijzigde- dagvaarding onder 1, impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt: 1. doodslag; 2. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; 3. zware mishandeling; verklaart het bewezene en verdachte strafbaar; veroordeelt verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren; bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; (in verzekering gesteld op 6 juli 2005 en in voorlopige hechtenis gesteld op 8 juli 2005) verklaart niet bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; gelast de teruggave aan de verdachte van de onder hem in beslag genomen kledingstukken, welke staan vermeld op de aan dit vonnis gehechtebeslaglijst (C); wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]; veroordeelt verdachte tot betaling - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - van een bedrag van € 494,26 aan [benadeelde partij 1], wonende [adres], tevens met veroordeling van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt verdachte de verplichting op het toegewezen bedrag van € 494,26 ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen aan de Staat; bepaalt, voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen, zulks onder handhaving van de betalingsverplichting; bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen; wijst toe de vordering van de benadeelde partij Staedion; veroordeelt verdachte tot betaling - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - van een bedrag van € 2.142,29 aan Staedion, gevestigd [adres] te Den Haag, tevens met veroordeling van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt verdachte de verplichting op het toegewezen bedrag van € 2.142,29 ten behoeve van Staedion te betalen aan de Staat; bepaalt, voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 42 dagen, zulks onder handhaving van de betalingsverplichting; bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. Geerars, voorzitter, mrs De Bruin en De Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoekstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2006.